Vijftien schetsen voor een ode aan de verwondering.

© Jef Van Eynde

Huidig Dichter des Vaderlands Carl Norac kruipt deze zomer in de pen voor Theater Aan Zee. Elke dag verrast hij met een gedicht in het Frans en het Nederlands. 

“C’est pour moi un bel honneur d’avoir été choisi dans cette ville d’Ostende que j’aime profondément et ce festival.”

Carl Norac

15


U MISSCHIEN

Een passante of passant – misschien bent u het wel –
loopt naar de zee en weet niet goed waarom,
hij zwemt niet zo goed en zijn enige schip is
het zeil van zijn ogen, de gedachte aan vluchten, een biezen mand.
De duinen en stranden hebben naam noch code.
Ze vormen de nog steeds gemeenschappelijke grond
waar grenzen alleen uit golfbrekers bestaan,
waar elk kasteel het kortstondige verbeeldt
en een papieren bloem een schelpenhandel.
Waar, net als het blad dat tot roos werd gevouwen,
de wereld oprijst zoals we haar vinden,
vrij en schalks, geplukt in het zand.
Niets werd er verzameld op het voetspoor na
van de passante, van de passant – misschien bent u het wel –
een voetspoor dat allengs vervaagt in de nacht
maar dat niets ontkent van het pad,
van de vreugde eindelijk te verdwalen
weg van de tijd, zijn dogma’s, weg van de wegen
en dat de ochtend achtervolgt die gewoonlijk
op niemand wacht.

PEUT-ÊTRE VOUS

Une passante ou un passant – c’est peut-être vous-
part à la mer sans vraiment savoir pourquoi,
nageant peu, n’ayant pour bateau
que voile des paupières, idée de fugue, sac en osier. 
Ni dunes, ni plages n’ont de nom, ni de code.
Elles demeurent ce territoire encore commun
où les frontières sont seulement des jetées,
où tout château demeure incarnation de l’éphémère
et la fleur en papier un commerce de coquillages.
Précisément, comme ces papiers roulés pour pétales,
voici le monde tel que nous le retrouvons,
cueilli au sable, libre et espiègle.
Rien d’autre amassé que des pas posés
de passante, de passant – c’est peut-être vous –
des pas s’effaçant à mesure dans le soir,
mais sans rien dénier du chemin,
de la satiété de se perdre enfin
hors des heures, des dogmes ou des trottoirs,
à la poursuite de ce matin qui, d’habitude,
n’attend jamais personne.


14


HIER EN NU

‘Wanneer ik de zee zie droom ik van reizen’,
schreef Verhaeren op deze plek.
Maar tijdens de lange lockdown moest je, als je op reis wilde,
een eiland zoeken, ook al werd het door straten in ruitjes verdeeld,
om daarna zachtjes te verdwalen tussen de gebouwen,
de tuinen waar, bij gebrek aan een verre vlucht,
van het verlangen om weg te gaan
je oog of je voetstap
alvast de kern ontwaarde.
Er zit nooit te veel nacht in de mensen
die op hun drempel
de gevleugelde, weerbarstige
woorden uitspreken
van het vertrek.

ICI ET MAINTENANT

« Je ne puis voir la mer sans rêver de voyages »,
écrivait Verhaeren en ces lieux.
Mais, confiné des mois ici, le voyage, ce fut
de chercher une île même quadrillée par les rues
pour très doucement se perdre en des architectures,
des coins de jardin où, à défaut de fugue lointaine,
l’oeil ou le pas puissent retrouver,
de l’envie de partir,
au moins la quintessence.
Il n’y a jamais trop de nuit au fond des hommes
qui prononcent, dès leur seuil,
les mots ailés
et toujours insoumis du départ.


13


WANNEER

Op de melodie van een lied van Arno

Zeg ’ns, wanneer zul je jezelf ontvallen?
Mijn schouder wacht op je.
Wanneer laat je je op een ander wonder glijden?
Wanneer geef je, voor je deur, je ogen
de kost en dat voor geen wimper?
Wanneer vieren we onze duizendste verjaardag
onder een dunne sneeuwlaag,
en het moment zodra het verzonnen wordt?
Wanneer zorgen we voor een zotte bazaar
met het toeval als smokkelwaar?
wanneer winden we onze biografie op
zodat er plaats vrijkomt op de band
en we de verlengde seconde kunnen filmen?
Wanneer leven we ver van de Egyptische mummies,
het hoofd van de baas, de grenzenbouwers
en doden we onze zondag niet meer?
Wanneer betreden we blij
een schilderij van Spilliaert of Ensor,
zonder ons van tafereel vergissen?
Wanneer laten we de was smelten
van de maskers, geloven we alleen nog in de ochtend,
vertalen we de Amor mundi
met andermans vingers, terwijl we onze tong uitsteken?
Lieve vriend, mijn schouder wacht je op.
Zeg ’ns, wanneer gaan we naar zee
om te horen hoe zij nog steeds zingt
en te achterhalen waarom
niets ons dan nog deert,
ook al begrijpen we
niet altijd haar woorden?

C’EST QUAND

Sur l’air d’une chanson d’Arno

Dis, c’est quand que tu tomberas de toi ?
Mon épaule t’attend.
C’est quand que tu glisseras sur un autre prodige ?
C’est quand que, devant chez toi, t’en prendras
plein les yeux pour pas un cil ?
C’est quand qu’on fêtera nos mille ans
sous une mince couche de neige
et l’instant dès qu’il s’invente ?
C’est quand qu’on fera un sacré bazar
avec un hasard de contrebande ?
C’est quand qu’on rebobinera nos biographies
pour faire de la place sur la pellicule
et filmer la seconde dès qu’elle s’allonge ?
C’est quand qu’on vivra loin des momies d’Egypte,
de la tête du patron, des faiseurs de frontière
et que nous ne tuerons plus nos dimanches ?
C’est quand ici qu’on entrera joyeux
dans une peinture de Spilliaert ou d’Ensor
sans plus se tromper de tableau ?
C’est quand qu’on fera fondre la cire
des masques, qu’on obéira plus qu’à l’aube,
qu’on traduira Amor mundi
avec les doigts des autres tout en tirant la langue ?
Ami, mon épaule t’attend.
Dis, c’est quand qu’on ira à la mer
pour écouter comment elle chante encore
et pour savoir pourquoi alors
on se moque de tout
même si on ne comprend
pas toujours les paroles ?


12


PAVANE VOOR DE MISMOEDIGE PASSANT

Zeg ’ns, waaruit bestaat je nacht?
Laat me er binnen door een spleet
en wees gerust, het woord klaarte spreek ik niet uit,
noch zal ik je geestdrift bekoelen
om, dwars als je bent, in het tegenlicht te leven.
Je vegeteert in je zomer
en verwacht dat je wat later,
met de bladeren in de herfst, jezelf zult ontvallen.
Als enig verweer lach je me inmiddels vierkant uit.
Uit de verte voel ik de inkt van je nacht,
de kille maan, de onschuld,
het onmetelijk kleine dat met het oneindige praat
in het tuintje van je verloren tijd.
Vertel me je nacht, alsjeblieft,
zodat ik hem niet per abuis om middernacht
uitzing in dit park, op een theaterplein.
En neem me niet kwalijk, maar ik voeg eraan toe
dat in de wond van je woorden,
ook al halen ze de schouders op,
nog altijd
dat prachtige, nietige scheurtje zit
dat geen barst meer is
maar een aarzelende doorgang naar het licht.

PAVANE POUR LE PASSANT QUI N’Y CROIT PLUS

Dis-moi, ce serait quoi, ta nuit ?
Que j’y entre par un interstice,
sans prononcer le mot lumière, rassure-toi,
et sans épuiser ton ardeur
à vivre à contre-jour, par bravade.
Tu végètes dans ton été
et tu comptes bien tomber de toi-même
un peu plus tard, avec les feuilles d’automne.
En attendant, tu me ris au nez pour seule esquive.
Ta nuit, j’en ressens l’encre à distance,
le précis de lune, la candeur,
l’infinitésimal qui converse avec l’infini
dans la petite cour de tes heures perdues.
Dis-moi ta nuit, s’il te plaît,
que je ne la chante pas par erreur, à minuit,
au milieu de ce parc, au parvis d’un théâtre.
Ne m’en veux pas, je te confierai encore
que, dans la blessure de tes mots,
même au gré de leur haussement d’épaules,
il demeure
cette magnifique et minuscule faille
qui n’est plus une fêlure,mais un passage irrésolu vers la lueur.


11


EEN KLEIN LYRISCH GEBREK

Ze zeggen dat we ons te pletter rennen,
dat we onze ondergang tegemoet snellen,
dat zelfs onze zeges illusies zijn.
We zijn niet alleen maar
denkende dieren.
Onze verwondering zweeft
boven elke helling
die we dromen als duin,
boven elk dogma, elk gebod,
veel verder dan de verloren uren
die we morgen weer zullen vinden.
De gave van de metamorfose,
bezitten we haar wel?
Of is het een klein, lyrisch gebrek?
Wat maakt het uit, vanavond
gaan we zitten
en kijken naar de zee.
En wij, alweer wij vinden haar uit.

UNE PETITE FAUTE LYRIQUE

On nous dit que nous courons éperdument,
que nous nous précipitons à notre perte,
que même nos victoires seraient illusoires.
Nous ne serons pas
seulement  des animaux de la raison.
Notre émerveillement demeure
au-dessus de tout talus
que nous rêverons dune,
par-dessus le dogme ou l’injonction,
bien au-delà de ces heures perdues
que nous retrouverons demain.
Ce pouvoir de la métamorphose,
le possédons-nous vraiment ?  
Ou serait-ce une petite faute lyrique ?
Que nous importe, ce soir,
nous nous asseyons
pour regarder la mer.
C’est encore nous qui la réinventons.


10


HÔTEL DU PARC

Toen Stefan Zweig door Oostende struinde
broedde de oorlog al.
Op zijn enige foto zie je zijn monkellach.
Intussen waart zijn discrete schim
nog steeds rond in Hôtel du Parc.
Ik wil hem niet storen nu ik
discreet een passante,
een passant portretteer.
Ik word hun inktmus.
Nu eens gooi ik mijn woorden zomaar neer, dan weer moet ik ze temmen.
Het zijn reddingsboeien, masten noch zeldzame parels.
wat in me oprijst, breekt door, laat zich benaderen.
Als het een gedicht wordt, wacht ik op een vrouw.
Als het proza wordt, wacht ik op de regen.

HÔTEL DU PARC

Quand Stefan Zweig cheminait à Ostende,
la guerre pondait déjà ses œufs.
Sur l’unique photographie, il sourit avec effacement.
A l’Hôtel du Parc, cependant,
son fantôme discret plane encore.
Je ne veux pas le déranger à l’heure où,
discrètement, j’écris le portrait
d’une passante, d’un passant. 
Parfois, tantôt elle, tantôt lui me regardent écrire.
Je deviens leur moineau d’encre.
Voilà des mots jetés, d’autres qui s’apprivoisent.
Ce ne sont ni bouées, ni mâts, ni perles rares.
Ce qui surgit en moi affleure, puis se laisse approcher.
Si c’est un poème, j’attends une femme.
Si c’est une prose, j’attends la pluie.


9


WAT ZEG JE? QUE DIS-TU?

Vanouds word ik aangetrokken door grenzen, ze vragen erom overschreden te
worden, ze verruimen het veld van de mogelijkheden.   (Caroline Pauwels)

Op het eind van de tuin loopt de grens.
Mijn neefjes wachten.
Ze oefenen geduld in een andere taal dan de mijne.
We praten met onze handen
tot onze schaterlach verandert in een zin.
Als woorden ontbreken, moet je een spel verzinnen.
We rennen en sprinten tot we het vinden.
Tot ’s avonds laat, en ondanks de bramen, de rozen,
de meidoorn, spelen we haasje-over de grens,
in de ene, dan weer de andere richting,
hoe vaak, de obstakels – we tellen het niet.
Na een poos voelen mijn neefjes en ik
– we zijn geen papieren helden,
hebben helemaal niets veroverd – spontaan
dat we op onze manier
de vrije overkant van het landschap
kunnen tekenen.

  

QUE DIS-TU ? WAT ZEG JE ?

Les frontières m’ont toujours attirée, elles invitent à être franchies,
elles élargissent le champ des possibles.                 (Caroline Pauwels)

Au bout du jardin, il y a la frontière.
Les cousins attendent.
Ils patientent dans une autre langue que la mienne.
Nous parlons avec nos mains,
juste avant que notre rire ne devienne phrase.
Sans flux de paroles, il faut inventer un jeu.
C’est en courant que nous le trouvons.
Jusqu’au soir, malgré ronces, roses,
aubépines, nous jouons à traverser la frontière,dans un sens, puis dans l’autre,
sans compter les passages, ni les obstacles.
Au bout d’un moment, ni héros de papier,
ni surtout conquérants de rien,
les cousins et moi, sans l’air d’y toucher,
nous le sentons bien
ce pouvoir soudain de dessiner,
à notre façon,
l’autre part libre du paysage.


8


LES YEUX D’EINSTEIN

‘Ik koester de gedachte dat de maan er is,
ook als ik niet naar haar kijk.’                         (Albert Einstein)

En zo, zei hij, zullen je ogen uitdoven
als je je niet meer verbaast.
Het komt erop aan je ogen
weer in je eigen blikveld te brengen
zonder dat iemand de wenkbrauwen fronst.
Wat je vanaf je hoornvlies ontwaart
blijft een zonderling landschap.
De horizon weet niet, hij wordt verbeeld.
Soms is hij een kind
dat dichterbij komt en eindeloos
de zee of het volstrekte volgt zonder
zich als golf of als wolk te vermommen.
De dageraad, wonder
van ongewisse schoonheid,
ruziet als vanouds met de dood
over een paar voetstappen in het zand.
Laat in je binnenste de wegen overleven
die de hartenklop van de wereld willen kennen
en soms de gedaante aannemen
van een onbekend gezicht of een eerste gedicht

  

LES YEUX D’EINSTEIN

« J’aime penser que la lune est là
même si je ne la regarde pas »
(Albert Einstein)

Ainsi, dit-il, vos yeux s’éteindront
si vous ne connaissez plus l’étonnement.
Vos yeux, il s’agit de les rendre,
sans la levée d’autres sourcils,
à l’angle de votre propre regard.
Dès la cornée, l’acte de voir
demeure un paysage si singulier.
L’horizon ne sait pas, il s’invente.
Il est parfois cet enfant
qui s’approche et s’amuse, à perte de vue,
à longer la mer ou l’absolu sans devoir
se déguiser en vague ou en nuage.
L’aube, ce miracle  
beau d’être sans certitude,
dispute à la mort, comme toujours,
quelques pas dans le sable.
Laissez vivre en vous ces chemins
curieux du monde tel qu’il bat,
qui deviendront parfois
ce visage inconnu ou un premier poème.


7


ZONDER BIJWERKINGEN

‘Waar ben jij dan tegen ingeënt?’
‘Tegen de dagen die vallen zonder dat we ze zien,
de woorden die we leerden maar die onze stem niet beroert,
niet met de lippen, niet met de volle tong,
als ze hun pauwenlied laten horen.
Voor de rest heb ik geen enkele blunder ontkend,
geen enkele twijfel of betovering.
Ik zeg nee tegen het gesmokkelde ja. 
Met opgestoken middelvinger keur ik de afwijzing goed.
Weet dat wie zegt
zichzelf te hebben genezen
vaak eenzaam achterblijft
op de drempel van de ander.
Net nu lees ik deze tag op een muur: 
Dwalen is essentieel
In een wereld die ons soms dwingt te zwijgen
moeten we het woord nemen zoals het komt,
zonder bijwerking.
Kom, we geven ons over aan zijn pracht
en aan het nimmer onderworpen deel
van onze adem.  

SANS EFFET SECONDAIRE

– Contre quoi es-tu vacciné sinon ? 
– Les jours qui tombent sans qu’on les regarde, 
les paroles apprises sans que notre voix ne les touche, 
ni au bord des lèvres, ni au corps de la langue,
quand elles font entendre leur chanson de paon. 
Pour le reste, je n’ai rien nié de mes erreurs,
de mes doutes comme de mes enchantements. 
Je dis non contre le oui de contrebande.
J’approuve des refus avec un doigt de l’honneur. 
Sache que ceux qui disent 
avoir guéri d’eux-mêmes 
ne demeurent souvent 
que sur le seuil de l’autre.
Je lis ce tag sur un mur à l’instant: 
Il est indispensable d’errer
En ce monde qui parfois intime de nous taire,
prenons la parole d’où elle vient, 
sans effet secondaire.
Jetons-nous dans sa beauté
et dans cette part jamais domestiquée 
de notre souffle.


6


EEN PASSANT OP DE DIJK

Oostende, januari 

‘Kijk naar de zee en je bent alles vergeten, 
zodra je dit zegt, wordt zelfs het moment uitgewist,’
zegt de oude man die me aanstaart.
Hij vouwt zijn wortelloze handen niet open maar steekt ze uit
en laat een te witte tong vermoeden,
parelmoerig als de binnenkant van een schelp.
‘Een enkele golf!’ roept hij uit.
‘Een enkele golf spoelt gestempelde postzegels schoon,
stinkend roestig schroot, aangespoeld drijfhout, 
ansichten van dode vakantiegangers, nog rode gedachten,
liefdesherinneringen in brieven
die nog blijken te leven ook al zijn je vingers verdoofd.’
De oude man loopt, hij wandelt alsof elke roller
van een afwezige terugkeer spreekt.
Toch lacht hij met de verloren wegen die elkaar kruisen in het zand
of met de zon die daar ondergaat, te ver om haar te bezingen.
Hij weet niet meer of de stad de golven is binnengedrongen,
of de golven de stad hebben ingepalmd, of hij in Algiers of Oostende is
of in dat deel van het vergeten dat danst in de lucht
op het ritme van één wijzende vinger.
Hij gaat zitten. De golfbreker wordt bladwijzer in een boek
dat hij doorneemt zonder met zijn ogen te knipperen.
Een engel heft een vleugel boven zijn elleboog, hij verdrinkt in de lucht 
en een schip smelt als een klontje, tot het weer opduikt,
met vogels verlicht, het zeilt recht naar hem toe 
om hem op te halen, ja, een laatste maal.
‘Kijk naar de zee en je bent alles vergeten, 
zodra je dit zegt, wordt zelfs het moment uitgewist,’
zegt hij opnieuw. ‘Kom, ga ervoor, broer,
open je ogen, we moeten beginnen.’

UN PASSANT SUR LA DIGUE 

à Ostende, en janvier 

« Regarder la mer permet de tout oublier, 
d’effacer même cet instant au moment où tu le prononces », 
me dit ce vieil homme, en me fixant. 
ll tend, à défaut de les déployer, ses mains sans racines
et laisse deviner une langue trop blanche, 
aussi nacrée que l’intérieur d’un coquillage.
« Une seule vague ! s’écrie-t-il.
Une seule vague nettoie les timbres oblitérés, 
les pièces rouillées qui empestent, les bois échoués,
les cartes postales de vacanciers morts, les idées encore rouges,
les souvenirs d’amour dont les lettres souvent 
se révèlent encore vivantes quand tes doigts sont éteints ».
Ce vieil homme marche, avance, comme si chaque roulis 
lui parlait de l’absence d’un retour. 
Pourtant, il rit des chemins perdus qui se croisent dans le sable 
ou du soleil qui tombe trop loin pour qu’on le chante.
Il ne sait plus si la ville est entrée dans les vagues 
ou les vagues dans la ville, s‘il est à Alger, à Ostende,
ou dans cette part d’oubli qu’on situe dans l’air 
avec un seul doigt qui danse. 
Il s’assied. Les brise-lames deviennent les signets d’un livre 
qu’il parcourt sans déranger ses paupières.
Un ange se noie dans l’air en levant une aile au-dessus de son coude
et un bateau fond, tel un sucre, avant de rejaillir, 
allumé d’oiseaux, comme s‘il voguait exprès 
pour venir le chercher, oui, une dernière fois. 
« Regarder la mer permet de tout oublier, 
d’effacer même cet instant au moment où tu le prononces,
me répète-t-il. Alors, vas-y, mon frère, 
ouvre les yeux, commençons maintenant ».


5


MIJN MOOIE WOORDENSCHAT

Gedicht voor een kind dat voorbijloopt

Hé, daar zit het woord dat je kwijt was, op de punt van je neus.
Je zocht ernaar in je schrift, en in je boekentas,
in je kamer, in je hoofd,
in het woordenboek.
Nergens! Toevallig kom je een spiegel tegen.
Je twijfelt of je hallo tegen jezelf moet zeggen.
Je weet vrij goed wie je bent, maar soms staat je gezicht
je niet zo aan, je vindt het wat bizar, wat raar.
Maar zo zijn we uiteindelijk allemaal.
Oké, ben je klaar? Opeens is het daar,
het woord dat je kwijt was: het zat op de punt van je neus.
Een niet zo kort woord, maar wel minder lang 
dan anticonstitutioneel, en het glimt.
Pak het met je vingertoppen vast,
Fluister het zachtjes en vergeet het nooit.
Dat woord luidt verwondering.

MON BEAU VOCABULAIRE

Un poème pour l’enfant qui passe

Hé, il est là le mot perdu, sur le bout de ton nez.
Tu l’avais cherché dans ton cahier, puis dans ton cartable, 
puis dans ta chambre, dans ta tête, 
puis dans le dictionnaire.
Nulle part ! Par hasard, tu croises un miroir. 
Tu hésites à te dire bonjour.
Tu te connais assez bien, mais parfois tu te sens loin
de ton visage, tu crois que c’est bizarre, 
Mais on est toutes et tous comme ça. 
Et ensuite, quoi ? Soudain, le voilà,
le mot perdu : il était sur le bout de ton nez.
Un mot pas tout petit, bien moins long cependant
qu’anticonstitutionnellement, mais il brille.
Prends-le du bout des doigts, 
dis-le du bout des lèvres et ne l’oublie jamais.
Ce mot s’appelle l’émerveillement.


4


OP HET GEVAAR AF TE AARDIG TE ZIJN

We kijken te weinig naar wie ons optilt,
naar wier stem zich niet als opstap gedraagt,
maar ons voortstuwt, zonder het koor te hulp te roepen.
Ja, je weet wel, de stem die ademt, nooit de spons wordt
waarmee oude taferelen worden gewist, de gesprekken
waarin te haastige herinneringen ons inhalen.
We zwaaien met brede gebaren
om hen te groeten, maar vanuit de verte.
Vaak blijven we liever dicht bij onszelf
en vormen eilanden in onze gebalde handen.
We vergeten het oog voor het sleutelgat waardoor je een wereld ontwaart,
de schalkse, gedurfde nieuwsgierigheid
en het eenvoudige ritueel dichterbij te komen, binnen adembereik,

om het eindelijk over de val te hebben

en over de hartenklop van tijd 
die verglijdt met wie ons optilt. 

 AU RISQUE DE LA BIENVEILLANCE 

Nous ne regardons pas toujours assez les gens qui nous relèvent,
celles et ceux dont la voix ne prétend pas être une échelle,
mais nous pousse vers l’avant, sans le recours au chœur.
Oui, vous savez, cette voix qui respire, qui ne figure jamais l’éponge 
effaçant nos tableaux du passé, ces discours qui s’immiscent 
où les souvenirs, trop pressés, nous dépassent.
Nous faisons un large signe de la main 
pour les saluer, mais de loin. 
Nous préférons souvent rester auprès de nous-mêmes
afin de dessiner des îles en nos mains fermées. 
Nous oublions l’œil dans la serrure qui fait voir un monde,
cette curiosité de l’autre, espiègle, incongrue
et ce simple rituel de s’approcher, à portée de souffle,

pour parler de la chute enfin

et du temps comme il bat
avec les gens qui nous relèvent. 


3


ÉÉN IN HET ONTELBARE                             

voor Rutger Kopland 

De nacht is korter dan de hand die hem wil ontsluiten.
Trouwens, hij komt niet.
Zoekt hij in zijn zakken naar
wat straaltjes wisselgeld?
Of bereidt hij, zoals een gekrenkte kat,
een duistere weerwraak voor?
Wellicht wordt hij door mij genegeerd, ik die
Gekluisterd aan de woorden, blauw zelfs van zinnen, 
Slonzig gekleed, aanstalten lijk te maken
om uit mijn mouw nog een paar
spaanders dag te halen die
ik op een blad zal zaaien.
Bij de duin ontwaar ik
de gedaante van een slapend kind,
zijn hoofd rust op een zandkasteel.
De schepen en turbines in de verte lijken een ander
land te schetsen, de ranke lamel 
van een te volmaakt vlak eiland.
Ik blijf talmen omdat de nacht afwezig blijft
en verbaas me nergens over, wil vooral nog schrijven
wat in volle zee niet kan worden weggesnoeid.
Misschien wacht ik op de dageraad
die op zijn beurt soms, 
misnoegd, lang, als een inktvlek
uit blijft vloeien.

EN PASSANT SUR UNE PAGE

à Ostende, en juin

La nuit est plus courte que la main qui voudrait l’ouvrir.
D’ailleurs, elle ne vient pas. 
Cherche-t-elle dans ses poches 
un peu de la monnaie de ses lueurs ? 
Ou bien, comme un chat giflé, prépare-t-elle 
une sombre vengeance ? 
Sans doute est-ce moi qui l’ignore,
rivé aux mots, bleu jusqu’aux phrases, 
mal fagoté, et esquissant le geste 
de sortir de la manche encore
quelques copeaux de jour
à parsemer sur une page. 
Près de la dune, je discerne 
la silhouette d’un enfant endormi,
la tête posée sur son château de sable.
Au loin, éoliennes et bateaux semblent tracer 
un autre pays, la lamelle effilée d’une île
à l’horizontalité trop parfaite.
Je vais traîner puisque la nuit s’absente
et m’étonner d’un rien, surtout écrire encore  
ce qui ne peut s’élaguer au large. 
Peut-être même vais-je attendre l’aube
qui parfois, contrariée, s’étend 
elle aussi, longuement,
pareille à une tache d’encre. 

2


MOIRÉ GEDICHT TEGEN WITTE FOND 

In Oostende loopt Roger Raveel een blauwe vrouw tegen het lijf.
Ze vragen zich af hoe je tegen de golfslag in kunt leven.
De kleur van de zee zien we niet meer,
ze lijkt vannacht veeleer vierkant te zijn.
Hier laat de wording van elk moment op zich wachten
en als een verlegen kind draalt de zon
o zo lang voor ze zich van haar duikplank werpt.
Schilder en vrouw verlaten elkaar al. Het is tijd.
Niet ver daar vandaan moeten ze, 
na een poos, alweer op zoek gaan,
in het gewone leven, naar de bochtige weg
die nooit werd getekend
en waarvan het elders niemand toebehoort.

 AU RISQUE DE LA POÈME MOIRÉ SUR FOND BLANC 

A Ostende, Roger Raveel croise une femme bleue.
Ils parlent de la façon de vivre à contre-vague.
On ne sait plus de quelle couleur est la mer,
sinon qu’elle apparaît plutôt carrée cette nuit.
Ici, la genèse de tout instant se fait attendre
et le soleil, tel un enfant timide,
met un siècle à se jeter de son plongeoir.
Peintre et femme déjà se quittent. Il est temps.
Non loin d’eux, au détour des heures,
il va falloir encore aller chercher,
dans la vie ordinaire, ce chemin qui sinue,
qui ne fut jamais dessiné
et dont l’ailleurs n’appartient à personne.


1


LOPEND OP EEN BLAD                            

Oostende, in juni

De nacht is korter dan de hand die hem wil ontsluiten.
Trouwens, hij komt niet.
Zoekt hij in zijn zakken naar
wat straaltjes wisselgeld?
Of bereidt hij, zoals een gekrenkte kat,
een duistere weerwraak voor?
Wellicht wordt hij door mij genegeerd, ik die

Gekluisterd aan de woorden, blauw zelfs van zinnen, 

Slonzig gekleed, aanstalten lijk te maken
om uit mijn mouw nog een paar
spaanders dag te halen die
ik op een blad zal zaaien.
Bij de duin ontwaar ik
de gedaante van een slapend kind,
zijn hoofd rust op een zandkasteel.
De schepen en turbines in de verte lijken een ander
land te schetsen, de ranke lamel 
van een te volmaakt vlak eiland.
Ik blijf talmen omdat de nacht afwezig blijft
en verbaas me nergens over, wil vooral nog schrijven
wat in volle zee niet kan worden weggesnoeid.

Misschien wacht ik op de dageraad
die op zijn beurt soms, misnoegd, lang, als een inktvlek
uit blijft vloeien.

POÈME MOIRÉ SUR FOND BLANC

à Rutger Kopland

Sur la plage vide en hiver, nous avons posé une chaise,
nous y laisserons un peu de nuit,
sans user de mots trop brillants.
Les mouettes au plus bas s’ébrouent,
comme pour ôter de leurs ailes
quelques questions à noyer au large

et dont la seule réponse demeure l’envol.
S‘en vient près de nous une corneille,
unique pièce d’un damier sur un sol presque blanc.
Elle nous regarde comme on aperçoit un nuage
et vaque à ses affaires dans la lumière encore laiteuse.

Les aléas du jour n’effleurent même pas son plumage.

Voilà un oiseau de vie, avons-nous pensé.
Car l’unique conseil qu’il semble nous donner,
qu’il nous insuffle ici, un dans l’innombrable,
c’est de ne jamais oublier de nous hâter de vivre.